4 Pagina's






De leerlingen krijgen een kaartje waarop een getal tot 100 gesplitst is in tientallen en eenheden. Ze wandelen naar een klasgenootje en zeggen het getal dat op hun kaartje staat (bijvoorbeeld: bij 3T 4E zeggen ze 34). De andere leerling doet net hetzelfde en dan wisselen ze van kaartje waarna ze naar een andere leerling stappen.
Beoordelingen en opmerkingen